Achtzaamheid

Een ware vriend

De oorspronkelijke versie van onderstaand artikel is te vinden in het Boeddhistisch Dagblad van 8 mei 2016.

De Amerikaanse yogi, journalist en performer Alan Clements had in 1996 een interview1 met U Pandita waaruit ik het hierna volgende fragment vertaald heb. Alan Clements was monnik bij Mahasi Sayadaw en U Pandita van 1978 tot 1984. In dat jaar nodigde hij U Pandita voor het eerst uit naar de Verenigde Staten, waar hij een retraite van 3 maanden leidde. In 1996, als U Pandita voor de zoveelste keer in de VS is, stelt Clements vast dat Westerse Dhamma-leraren te veel 'op een eigen manier' oefenen en lesgeven. Hij vraagt U Pandita om een advies hierover. U Pandita antwoordt in detail waaraan een goede leraar herkend kan worden.

Niet serieus genomen?

Begin jaren nul trof ik bij een collega-yogi op de WC een kaartje aan dat daar hing, waarop zoiets stond als dat we volgens een zekere U Pandita ook mindful konden zijn bij het gebruik van het toilet. Ik had nog nooit van U Pandita gehoord - het was ook niet dat die yogi het ooit over hem had - maar wat daar stond leek mij evident, omdat immers de Boeddha zelf dat item ook noemt in de Satipatthana Sutta.

Omdat het mij onaannemelijk leek dat mijn yogi-vriend een anale fase doormaakte, bleef destijds bij mij hangen dat er aan deze U Pandita wellicht een vlekje kleefde. Jaren later kwam dat idee opnieuw op. Ik kende U Pandita inmiddels als de leraar van mijn leraar U Vivekananda, maar verder niet. Toen ik begin 2012 aan twee van de Mettavihari-leraren en aan het bestuur van de SIM in vertrouwen meedeelde dat U Pandita de Nederlandse leraren die de Mahasi-methode wilden onderrichten met klem adviseerde eerst hun eigen oefening verder te verdiepen, werd ik nog net niet uitgelachen. Maar serieus nam men het niet.

Weer vier jaar later, na vele tientallen leringen van U Pandita bijgewoond te hebben, kan ik zeggen dat ik hem WC-gebruik nooit speciaal heb horen noemen. Het meest speciale dat hij wel eens noemde vond ik het knipperen met de ogen omdat je voelt dat ze droog worden. Dit als voorbeeld van een oorzaak-gevolg-relatie.

 

De vraag van Alan Clements

Sayadawgyi, ik wil u graag om advies vragen over een belangrijk onderwerp. Toen wij gisteren door het klooster liepen, draaide u zich opeens om en zei: ‘Jij bent degene die ervoor verantwoordelijk was mij voor het eerst in het Westen te brengen2.’ Toen vroeg u mij of ik dacht dat het Theravada-boeddhisme echt wortel heeft geschoten in Amerika. In alle eerlijkheid zei ik dat ik daar niet zeker van was. Er is iets aan het wortelen, maar ik ben er niet zeker van of dat Theravada genoemd kan worden. Toen u mij vroeg wat het dan volgens mij wel was, antwoordde ik: ‘Ik denk dat het eerlijk is om te zeggen dat iedereen die lesgeeft dat zo goed mogelijk doet vanuit zijn of haar eigen ervaring.’

Dat brengt mij op de vraag: ‘Welk advies zou u geven aan Westerse Dhamma-leraren en aan degenen die naar hen toe komen voor begeleiding als zij op hun eigen manier doorgaan met het verbreiden van de Dhamma in het Westen?’

 

Het antwoord van U Pandita

Het meest belangrijke om te weten is wat de ware kwaliteiten zijn van een spirituele vriend3, een kalyana mitta. Welsprekendheid, humor of gedrevenheid als spreker zijn niet wat ik bedoel. Dat zijn slechts oppervlakkige kwaliteiten. De belangrijkste kwaliteit van een kalyana mitta is zijn of haar diepgang – het tweetal kwaliteiten van compassie en wijsheid. Die moeten goed ontwikkeld zijn.

Vervolgens moet men naar deze spirituele vriend toegaan en de Dhamma beoefenen. Alleen nadat je het in praktijk gebracht hebt en goede resultaten hebt ervaren, kun je diens methode als heilzaam en juist beschouwen. De persoonlijkheid van een leraar kan als honing zijn, maar als die niet vrij laat en kleeft, zal de vlieg doodgaan. Dus de methode om vrij te worden moet aantrekkingskracht tot persoonlijkheden overstijgen.

Een ander aspect van een bedreven spirituele leraar is dat zij anderen niet bekritiseren. In ieder die de ware Dhamma begrijpt, helemaal nadat het stadium van ariya4 bereikt is, zal niet meer zoiets zijn als het verheffen van zichzelf of het neerkijken op anderen. De Boeddha heeft duidelijk gemaakt dat het doel van de Dhamma is het beëindigen van dukkha, het uitdoven van de innerlijke vuren van begeerte, haat en begoocheling. Dan is het doel van de oefening hetzelfde, ook al kan de benadering verschillend zijn.

Iedereen weet bijvoorbeeld dat er een heleboel verschillende medische scholen zijn. Waar het om gaat is de geneeskunde machtig te zijn, anderen te helpen en van grote waarde voor anderen te zijn. Maar eerst is er training nodig. Iemand gaat naar een goede opleiding met bekwame leraren. Met doorzettingsvermogen en grote toewijding behaalt men een eerste graad in theorie en een klein beetje praktijk. Als men zich dan wil specialiseren, en zich verder wil bekwamen, gaat men door, gaat men verder met de training. Maar desondanks is geneeskunde, hoe goed iemand ook wordt opgeleid, een ingewikkeld studiegebied. En zoals algemeen bekend is: niets kan je volledig voorbereiden voor de test van het toepassen als je de collegedeuren achter je dicht geslagen hebt. Maar zónder training ben je een kwakzalver, en een gevaar voor de maatschappij. Je hebt te maken met mensen in omstandigheden van leven en dood, en je kunt maar het beste weten wat je aan het doen bent.

Maar wanneer men buiten, wat ik daarnet noemde, de echte praktijk van de geneeskunde betreedt, kan men ziektes tegenkomen die men nog niet eerder kende en waar men nog niet mee in aanraking kwam. Dus het zou kunnen dat de dokter in plaats van de gebruikelijke behandelwijze, of de traditionele wijze, een persoonlijke aanpak vindt voor de behandeling van die ziekte. Maar het zou kunnen dat de dokter door dit te doen alleen maar de symptomen behandelt, en dat de symptomen afzwakken in een patiënt. De patiënt zou zich zelfs tijdelijk weer goed kunnen voelen en de dokter zou zijn succes van de daken kunnen schreeuwen. Dit is niet de Dhamma. Dit is niets meer dan het blussen van de brand met een deken, en de brand daarmee dwingen ondergronds te gaan, waarna hij elders op een ander tijdstip weer aan de oppervlakte zal komen. Ondertussen smeult hij onder de oppervlakte.

Kilesa’s5 zijn een ingewikkeld onderwerp en het behandelen ervan is evenzeer ingewikkeld. Dus als een dokter een patiënt met zijn of haar eigen methode behandelt, aangenomen dat het echt werkt, zou het kunnen dat zo iemand trots wordt op die geneeswijze en neerkijkt op anderen. Eigenlijk is dit normaal. Hoe zeg je dat? Het hoort er een beetje bij. Maar er is werkelijk geen noodzaak voor trots of dunk. Arrogantie is een nogal armzalige reactie. Toch is het heel gewoon. Soms wordt de kop van de arrogante haan er afgesneden voor het oog van de kippen. Dus men moet zogezegd oppassen voor haantjesgedrag.

Aan de andere kant zijn er leraren die heel intelligent zijn, maar ook een beetje link6. Dat is een vorm van angst. Deze leraren - en we hebben ze in Birma – houden vaak meer van hun populariteit als Dhamma-leraar dan van de Dhamma zelf. Natuurlijk zullen zij dat nooit toegeven, maar we zien het zelfs in Birma. Het is heel gewoon. Omdat de wind in vele richtingen waait, en omdat sommige leraren als een vlag kunnen zijn, met andere woorden ervan genieten boven aan de mast te hangen, gedragen zij zich als een goede vlag, en klapperen in de juiste richting. Maar helaas: zij worden beheerst door de wind. De wind is de behoefte aan populariteit, en daar worden zij door beheerst. Maar omdat zij nu de vlag zijn – en vaak louter een symbool voor hun volgelingen – vastgebonden hoog aan de mast, vervullen zij de plicht van een goede vlag , en blijven alleen maar waaien in de richting van de wind. Dit is zonder ruggegraat. Vlaggen vatten nooit post. Sterker: vlaggen zitten vast aan masten, en niet omgekeerd. Een mast kan staan, maar vlaggen komen en gaan, en het maakt niet uit hoeveel wind de vlag laat klapperen, maar uiteindelijk wordt de vlag aan flarden gescheurd. Dit soort mensen raakt op den duur uitgeput. Dat is een natuurlijk verschijnsel.

Een ware spirituele vriend maakt het niet uit of hij een symbool is voor mensen. Zij zijn moedig en onbevreesd, en bereid alleen te staan als het nodig is. De Dhamma heeft geen steun nodig, die is vrij.

Dan nog een laatste voorbeeld. Stel dat je respect wilt betuigen op de Shwedagon Pagode in Yangon. Nu zijn er vier hoofdingangen waardoor je de pagode kunt betreden. Dus iemand gaat naar boven via de ene ingang, een ander via een andere ingang, enzovoort. Is het niet dom om anderen te bekritiseren omdat zij een andere ingang nemen dan degene die men zelf neemt? Echt, dat is nergens voor nodig en dwaas.

Wat belangrijk is, is de pagode te zien en te bezoeken, geïnspireerd te raken door zijn grootsheid, en niet hoe je op de pagode komt. Dan ontgaat het je waar het om gaat. Maar nu zijn de tijden veranderd, we hebben liften op de Shwedagon, dus het is veel makkelijker voor je om boven te komen. Je kunt niet zeggen dat dat verkeerd is of onjuist. Het doel is het belangrijkste criterium. De pagode te bereiken, je respect te betuigen en die inspiratie met je mee te dragen wanneer je weer weggaat, dat is wat belangrijk is.

Als je desalniettemin de verkeerde weg naar boven neemt, dan zul je op de verkeerde plaats terecht komen. En dan moet iemand die de verkeerde weg naar de pagode wíjst, wel degelijk bekritiseerd worden. Niet in negatieve zin, maar op een ondersteunende manier, en met liefde in het hart. Dat is de juiste soort kritiek. Die brengt eenheid van doel.


NOTEN

1. ‘Interview with Ven. Sayadaw U Pandita, Panditarama Meditation Center, Rangoon, Burma.’ In: Alan Clements, Instinct for Freedom. A book about Everyday Revolution – Finding Liberation Through Living. 1996.

2. In 1984 leidde Sayadaw U Pandita een retraite van 3 maanden in het IMS in Barre, Massachusetts. De transcripties van zijn leringen daar hebben geresulteerd in het boek In This Very Life, 1991. Sindsdien bezocht hij tot 2013 de States ongeveer iedere twee jaar voor een langere retraite. Na 2005 vonden deze niet meer plaats in het IMS, maar in het Tathagata Meditation Center in San José, California.

3. In de Anguttara Nikaya (AN VII, 37) worden zeven eigenschappen genoemd. Een leraar of goede spirituele vriend (m/v) moet iemand zijn

  1. van wie wij kunnen houden, die lovable (piya) is;
  2. voor wie wij respect hebben vanwege bepaalde mentale eigenschappen;
  3. voor wie wij vriendelijkheid en mededogen kunnen hebben;
  4. die zijn leerlingen kan vertellen waar zij de fout in gaan, wat zij moeten doen, en daar niet terughoudend in is;
  5. die in staat is kritiek te ontvangen van leerlingen;
  6. die in staat is de Dhamma in zijn diepte te onderwijzen in theorie en praktijk;
  7. die leerlingen niet gebruikt voor eigen zelfzuchtige doeleinden.

4. ariya: een nobele, iemand die de stroom heeft bereikt; de eerste van de vier gradaties van heiligheid.

5. Er zijn 10 kilesa’s (bezoedelingen of smetten): hebzucht, haat, begoocheling, dunk, (verkeerde) meningen, sceptische twijfel, luiheid, rusteloosheid, gewetenloosheid en schaamteloosheid.

6. U Pandita gebruikt het woord cunning, wat ik vertaal met ‘een beetje link’ in de betekenis van slim, gewiekst.